Jakartaanse sloppenwijken en het gevecht tegen water en wetten

Ruben Reus las voor Antropologen.nl het boek “De beste plek ter wereld”, geschreven door antropologe Roanne van Voorst. Voor Ruben bleek het genieten van begin tot eind. Maar neem zijn ervaringen vooral niet voor lief! Lees en laat weten wat jij ervan denkt.

 

Rampen domslag-jakartaie niet door het klimaat, maar door politiek lijken te worden veroorzaakt. Een bevinding die frustratie opwekt en de betrokken lezer doorgaans de wil inboezemen om ongenuanceerd op de bres te springen voor de ‘slachtoffers’. In dit opzicht lijkt Roanne van Voorst, die haar boek “De beste plek ter wereld” schreef na een jaar lang te hebben geleefd onder Jakartaanse sloppenwijkbewoners, op voorhand de zoveelste Westerse moraalridder zoekend naar een choquerend verhaal. Een relaas over een gebied waar de door klimaatverandering en urbanisatie steeds heviger wordende overstromingen zo sterk geïncorporeerd zijn in het dagelijks leven dat het zich geworteld heeft in de taal  (met woorden als ‘overstromingseten’ of ‘gegarandeerd overstromingsvrije woningen’)  trekt al gauw de aandacht. Cheap thrills, zou je zeggen.

Toch weet Roanne de verhoudingen tussen verschillende groepen die gezamenlijk de kampen ‘overheid’ en ‘sloppenwijkbewoners’ vormen zodanig te schetsen, dat begrip en rede het lijken te winnen van plaatsvervangend medelijden en een gevoel van onmacht. Het maakt “De beste plek ter wereld” een genot om te lezen. Niet alleen vanwege de afwisselend prozaïsche en poëtische schrijfstijl die duidelijk haar voorliefde voor het schrijversvak weerspiegelt en welke je wanend in haar hoofd mee doet deinen op de zenuwen voor vertrek, het ongeloof tijdens curieuze ervaringen of de lamlendigheid van het ziek zijn. Nee, het zit hem, vooral als antropoloog, met name in iedere zin waarmee je haar denkt te betrappen op een overdrijving, een Eurocentrische verklaring of neiging naar ‘going native’ of ‘Oriëntalisme’ die dan, zonder uitzondering, verderop in het boek blijkt te worden genuanceerd.

De uitgebalanceerde beschrijving van ervaringen en probleemstellingen maken het een toegankelijk en toch scherpzinnig verhaal. Zowel de neofiet als de doorgewinterde antropoloog komt aan z’n trekken, met een avontuur dat je op een levendige en doordringende manier kennis laat maken met de bewoners en het leven in de sloppenwijk en tevens de mogelijkheid biedt een breed scala aan antropologische vraagstukken aan de kaak te stellen.

Denk bijvoorbeeld aan de verhoudingen tussen arm en rijk en de vormen van ‘alledaags verzet’ waarmee sloppenwijkbewoners zich een weg proberen te banen door het web van opgelegde geboden en verboden.1 Denk aan het belang van Goffman’s ‘impression management’ in een gemeenschap met weinig middelen en sterke sociale cohesie, en de ‘front-‘ en ‘backstage’ waarmee men opvattingen van streng conservatieve groepen omzeilt of naar hun voordeel buigt. Of lees over de ‘copingstrategies’ en zie hierin kritiek op de arme sloppenwijkbewoner als ‘passieve ontvangers’ van ontwikkeling (mits je vindt dat het aansluiten van elektriciteit en het bouwen van fitnessruimtes, mobiele waarschuwingssystemen en huizen met marmeren pilaren onder de noemer ‘ontwikkeling’ vallen). Slechts een persoonlijke selectie uit een boek dat passend gekarakteriseerd kan worden met de term, ‘voor ieder wat wils’.

Tussen dit alles door raakt Roanne nooit haar wankele positie als onderzoeker uit het oog en biedt ze een kijkje in de problemen die zo’n positie op kan leveren. Hoe overkom je de barrière van achterdocht, zowel vanuit de overheid als vanuit je onderzoekspopulatie? Hoe ga je om met de balans tussen afstand houden en aanpassen? Welke rol speelt je schuldgevoel in de omgang met mensen die het in jouw ogen aanzienlijk zwaarder hebben dan jijzelf? En in hoeverre is het kiezen voor afstandelijkheid en het verdrukken van schuldgevoel mogelijk in een gemeenschap die je meetrekt, opslurpt en via je poriën tot in je diepste vezels gaat zitten?

Een genot om te lezen, dus. De vraag is: moet je dan als lezer naarstig op zoek gaan naar die ene eventuele onvolkomenheid in het geheel? Ja, dat moet. En ik vond het in Roanne’s beschrijving van corruptie. Roanne verbaast zich in eerste instantie over de alledaagsheid van corrupt gedrag in de sloppenwijk. Hoewel ze dit later nuanceert en de vergelijking met de Nederlandse ‘voor-wat-hoort-wat’ mentaliteit maakt, trekt ze wat mij betreft deze vergelijking niet ver genoeg door. Vriendendiensten onder elkaar kennen we allemaal, maar is het hier in Nederland hogerop zoveel anders vergeleken met Jakarta? Is de handjesschuddende politicus in ons Binnenhof niet net zo corrupt als de gokkende politieagent in Jakarta?2 Stof tot nadenken, dat geeft het zeker.

“De beste plek ter wereld” is al met al een vlotte, maar daardoor niet minder scherpe, etnografische beschrijving van het leven in een Jakartaanse sloppenwijk. ‘Going native’ of ‘Oriëntalisme’ kunnen een donkere schaduw werpen, maar zolang een onderzoeker zich bewust is van deze complicaties en ze bespreekbaar maakt, zijn dit soort boeken een illuminerende gift. Roanne geeft toe dat ze haar licht maar op een heel klein stukje van de wereld heeft geschenen, maar daarmee heeft ze toch meer laten zien dan je zou denken.

Bronnen:
  1. Een mooi citaat uit het boek luidt: “alles kan hier, zolang je maar handig om de regels heen werkt”.
  2. Vergelijk bijvoorbeeld Roanne’s bevindingen met de bevindingen van Joris Luyendijk in zijn boek “Je hebt het niet van mij, maar…”.
Boekenlegger op de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *